Stad College

Mythe door Anna-Feline Breukers

Als interconfessionele school hebben we de gelegenheid soms dieper op levensvragen in te gaan. Dan hoor en zie je ook dingen die leven bij onze leerlingen die verder gaan dan hun schoolwerk.  Heel soms maak je als docent mee dat een leerling iets maakt dat zo goed is dat je er kippenvel van krijgt en ook echt iets vertelt dat uit het hart gegrepen is. Zo was het geval met de mythe die een meisje uit de brugklas voor mijn vak levensbeschouwing heeft geschreven. De opdracht was een mythe te schrijven waarin goden of bovennatuurlijke wezens voorkwamen, waarin een natuurverschijnsel verklaard werd en waar ook een wijze les uit te halen viel. Via deze weg wil ik iedereen de gelegenheid bieden van dit prachtige stukje werk mee te genieten!

 

Dankbaarheid  

De dag begon als alle anderen. De lucht was vol van zachtroze wolken en vogels kwetterden onophoudelijk. De zee zag er kalm en vredig uit. Kleine, witte schuimkopjes sierden het turqoise oppervlak. De rotsen langs de kust zagen eruit als slapende reuzen die met hun tenen de waterkant raakten.

En toch, toch was er iets anders vandaag. In de olijfgaard achter het huis fluisterden de bladeren zacht woorden. De bloemen in de tuin wiegden op de wind en het klonk alsof ze zongen. De oude franse eik naast de schuur leek gebogener te zijn dan anders en kreunde een beetje. Verbeelde ik mij dit alles of was het wel degelijk echt wat ik hoorde?

Ik sloop op mijn blote voeten naar buiten en verschool me in de oude stoel van oma. Hij schommelde zo lekker en telkens wanneer mijn voeten de grond bijna raakten veerde hij terug naar achteren. Het deed me aan vroeger denken, toen de houten schommel nog aan de eik hing en ik elke dag probeerde om hoger te komen tot op een dag de tak afbrak en ik mijn rug behoorlijk pijn deed.

Ik sloot mijn ogen en probeerde te ontcijferen wat de natuur me wilde vertellen. “Verhaal”, hoorde ik in het gefluister. Verhaal? Wat voor verhaal en voor wie en waarom? Misschien droomde ik, misschien was ik in slaap gevallen toen ik hoorde wat de bloemen zongen en de bladeren fluisterden. “We hebben een verhaal nodig om te overleven”. “Geef ons een nieuw verhaal”. “Hebben jullie het tegen mij”? “Ja, jij moet het schrijven, jij weet waar het over moet gaan”.

Ik deed mijn ogen open en de felle zon scheen in mijn gezicht. Zou ik het gehoord hebben of gedroomd? Ik kan helemaal niet schrijven. Begrijp me niet verkeerd, ik kan wel schrijven, maar een verhaal, dat is toch heel iets anders. Ik ben geen schrijver. En inspiratie heb ik zeker niet. Mijn leven bestaat normaal gesproken uit niets anders dan lange schooldagen, te saai voor woorden. Nu heb ik vakantie maar zit ik hier in mijn eentje. Iedereen is weg, aan het werk, op reis, wat dan ook. Waarom zeiden ze dat ze een verhaal nodig hebben om te overleven? En toch…..twijfel ik. Ik heb dit niet verzonnen, ik ben niet gek.

Hoe kan ik een verhaal maken dat de bomen helpt overleven? Achter de boomgaard is een bos. Een bos met kleine meertjes, hoge loofbomen en oude, kronkelige paadjes. Misschien ligt daar het antwoord. Ik trek mijn gympen aan en pak nog snel een fles water. Het wordt warm vandaag en ik heb een hekel aan dorst. Ik pak mijn tas, stop mijn etui erin en een leeg schrift. De opdracht van vandaag; ik ga een verhaal schrijven! De krekels maken een lawaai van jewelste wanneer ik door de boomgaard loop. Het lijkt alsof ze zeggen; ‘loop door, maak haast’.

Het bos is donker na het felle zonlicht. Ik knipper met mijn ogen en volg het slingerende pad. Na enige tijd zie ik het eerste meertje. Boven het water hangt een nevel en in die nevel zie ik iets bewegen. Ik hou mijn adem in en kijk. Elfachtige wezens lijken op het water te lopen, hun haren net boven de nevel uit. Hun lichamen lijken van glinsterend goud gemaakt. Ik tel er vier. Ze buitelen en zweven en het is wonderlijk hoe lenig ze zijn. Ineens staan ze stil en kijken naar mij. Ik weet niets anders te doen dan mijn hand opsteken. ‘daar ben je dan’ spreekt nummer 1. Laten wij ons voorstellen. Ik ben noord, ik zorg ervoor dat de wind uit het noorden z’n koele adem over de aarde kan blazen zodat het soms winter kan zijn. ‘Ik ben zuid’, sprak nummer 2 en ik zorg ervoor dat de zomers warm en lang duren, dat de wind zacht blaast en mag rusten. ‘ ik ben oost’ zei nummer 3, ik zorg voor droogte wanneer het nat is en ik breng de mystiek met me mee. ‘Ik ben west’, sprak de laatste en ik zorg ervoor dat alle slimme gedachten van de mensen meewaaien op de wind en ik fluister de groten der aarden hun dromen in. Dromen die ze vervolgens kunnen delen en als ik het niet alleen afkan dan helpen mijn zusters mij.

Ik kan mijn ogen niet geloven. Knijp mezelf. Auw. Het is dus echt. De zusters lachen en buitelen door de nevel boven het meertje. Ik ben Winnie zeg ik dan maar. Ik ben hier om te ontdekken waarom ik een verhaal moet schrijven. Voor de bomen en de bloemen in onze tuin. Al weet ik nog steeds niet waarom. ‘loop verder, loop maar, het antwoord wacht’ sprak zuid. Even snel als ze gekomen waren, verdwenen ze weer. Wat is dit voor een vreemde dag?

Het pad begint te klimmen en ik herinner me dat dit het pad is dat naar de waterval gaat. Voor me uit dansen twee vlinders. Ze zijn prachtig en het lijkt alsof ze mij de weg wijzen. Plotseling hoor ik geritsel. Voetstappen. Het lijkt alsof het vanuit de bomen komt. Ik kijk omhoog en zie een…ja, een wat? Het heeft twee benen, een groot menselijk lijf, armen als van apen en het zijn er vier en dan, dat hoofd, een dierlijk hoofd met menselijke trekken. Grote ogen kijken terug. ‘help’! roept het wezen. ‘Niet bang zijn voor mij, ik ben alleen maar op zoek naar een verhaal’. Het wezen houdt zijn hoofd schuin, kijkt mij met zijn grote ogen aan en zijn armen gaan zo snel langs de takken dat hij beneden is voordat ik het kan beseffen. Vier handen steken zich uit. ‘verhaal’ zegt het. Ik heet Verhaal, misschien zocht je mij? ‘Wat is dat nou voor naam, Verhaal? Ik zoek ‘een’ verhaal, niet een wezen dat zo heet. Ik begin een beetje ongeduldig te worden. Ik heb het gevoel dat ik beland ben in een gekke film. Ik ga op de grond zitten en verbaas me dat ik niet bang ben voor dit vreemde wezen. Het gaat naast me zitten, houdt het hoofd weer schuin en vraagt ‘heb je een pen en papier’? En hij vertelt. De tijd bestaat niet meer en ik schrijf en ik schrijf tot mijn vingers pijn doen en ik zie hoe ik bijna aan het einde van de lege blaadjes in mijn schrift ben. En dan staat hij op en zegt; ‘Ik heb je een verhaal gegeven, een verhaal over geloof en hoop en liefde. Een verhaal dat de aarde nodig heeft, juist nu. De mensen zijn vergeten om dankbaar te zijn voor alles wat leeft en groeit en bloeit. De mensen hebben allemaal haast, moeten geld verdienen, en als ze dat hebben verdiend willen ze nog meer. De mensen zijn vergeten dat de zon en de maan naar ons kijken en ervoor zorgen dat het land blijft leven. Dat de wind niet alleen waait maar wijze lessen met zich meebrengt. Dat de regen zorgt dat de rivieren zich vullen en de dorstige zee altijd te drinken krijgt. Ze willen het allemaal zelf doen omdat ze denken dat ze het beter weten en vooral omdat ze dan geld kunnen verdienen. Ze gaan voorbij aan de aarde. Voorbij aan het feit dat de aarde draait op haar eigen tempo, zich laat zien op haar eigen mooie manier. Ze bouwen en bouwen maar en aarde voelt zich soms verstikt. Vertrapt onder wegen en huizen, onder mensen en legers, zo erg, dat ze soms de wind niet kan voelen en de zon niet kan zien. Ze voelt hoe de lucht om haar heen vol zit met stoffen die de mensen teweeg brengen met hun industrie, hun auto’s en met zichzelf. Ze voelt hoe haar onder –en bovenkant krimpt en het hoofd niet koel kan houden omdat het ijs smelt. Ze voelt hoe de zee worstelt om alle golven een plek te kunnen geven. Plotsklaps beeft de aarde onder mij, de bomen ruisen en kraken en de wind scheert als een mes door het woud. Een bliksemflits schiet achter het wezen de grond in. Alsof duizenden stemmen samen zijn gekomen hoor ik gezang. ‘Wij goden waken, maar we kunnen het niet alleen, onze taken, staan gebeiteld in steen, we kunnen praten maar niemand die ons hoort, alsjeblieft, vertel hen ons woord’. De wind is weg. De bladeren schudden en de taken trillen na. Ik voel dat ik mijn mond open heb van verbazing. Het wezen staart me aan. ‘ Ja, zeg ik, ja, ik zal het vertellen, ik zal mijn uiterste best doen om de wereld te helpen en de aarde haar rechten terug te geven’. ‘Is er nog iets dat je me wil vertellen, Verhaal’? ‘Alles wat je nodig hebt staat in je schrift Winnie, alles is er al’. ‘Dankbaarheid, als je dat de mensen kunt leren is er een mooie toekomst voor alles wat leeft’. Op dat moment zie ik hoe het wezen begint te veranderen. Een traan glijdt langs zijn harige wang. Zijn vier armen verstrengelen zich tot twee. Zijn voeten steken in zilveren laarzen. Ik kijk hem aan en zie hoe het dierlijke hoofd langzaam verandert in een prachtig, vriendelijk gezicht. De mooiste jongen die ik ooit heb gezien – zelfs op televisie – kijkt mij aan. Hij glimlacht en steekt zijn hand uit. ‘dankjewel, dit is voor jou, zodat je nooit zult vergeten dat een verhaal echt kan zijn’. Ik kijk naar mijn hand. In mijn hand ligt een flonkerende steen. Het is alsof hij licht geeft. Aan de steen zit een ketting. Ik doe de ketting om en met een blij gevoel kijk ik op. Hij is weg. Verdwenen. Ik roep, ik schreeuw dankjewel. Alleen de bomen ruisen zachtjes. ‘dankjewel’, fluister ik. Heel, heel erg dankjewel.

Anna-Feline Breukers